“Den luyster van Rubens’ groote naam”. De oprichting van het Rubensstandbeeld in Antwerpen (1840)

Op een kade langs de Schelde werd op 25 augustus 1840 een standbeeld van Rubens ingehuldigd, tien dagen later dan gepland. Het was een gipsen voorbode van het bronzen beeld dat pas drie jaar later op de Antwerpse Groenplaats werd geplaatst. Toch liepen die dag honderden genodigden uit binnen- en buitenland in een feestelijke stoet van het stadhuis naar het plein aan de haven. Ze hoorden er de feestredes aan en luisterden naar Bessems’ hymne. Hendrik Conscience sprak een Ode aan Rubens uit, als enige in het Vlaams. Toen om drie uur het beeld werd onthuld bulderden kanonnen, luidden klokken. En de aanwezigen hieven een lofzang aan.

Tien dagen duurden de inhuldigingsfeesten. De Antwerpenaren hadden hun huizen en straten rijkelijk versierd. Piramiden, obelisken, gedenkzuilen, erebogen en triomf­bogen stonden op de voornaamste plaatsen in de stad. De talrijk opgekomen vreemdelingen bezochten tentoonstellingen, woonden gala­bals en galadiners bij, concerten en academische bijeen­komsten. Ze keken verbaasd naar het plezier dat de Antwerpse bevolking beleefde aan de volks­spelen, het volksbal, de vele optochten, het vuurwerk­ en de Venetiaanse verlichting op de Schelde, en aan de fonteinen die gratis­ wijn en ‘Antwerpsch’ bier spuiden­.

IMG_8619
Het Rubensstandbeeld (Foto: Marc Hoefkens)

Het standbeeld van Rubens beantwoordde aan een ontwikkeling die ook elders in Europa getuigde van het toegenomen zelfbewustzijn van de burgerij. Het oprichten van standbeelden – zo was sedert Napoleon duidelijk geworden – was een geschikt middel om een boodschap over te brengen. In het geval van het Antwerpse Rubensstandbeeld was dit een boodschap met verschillende nuances.

Rubens, kunstenaar der Nederlanden

De eerste plannen voor een Rubensstandbeeld dateren uit 1826. België bestond nog niet en Antwerpen was een drukke haven en handelstad in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Matthias Van Brée, directeur van de Antwerpse Academie der Schoone Kunsten, lanceerde het idee om in 1827 bij de 250ste verjaardag van Rubens’ geboorte een standbeeld op te richten “om den luyster welke Rubens groote naam over de Academie verspreidt nog glansrijker te maken … eene onderneming zoo vereerend voor de Nederlandsche gevoelens van de inwoners deezer stad. Het initiatief kreeg de steun van ware kunstliefhebbers, onder wie ridder Florent van Ertborn, de Antwerpse burgemeester, kunstmecenas en vriend van koning Willem I. Van Ertborn wilde van de inhuldiging een nationaal feest maken waarmee alle kunstliefhebbers uit de Nederlanden zich konden identificeren. Rubens (1577-1640) was in die periode immers de onbetwiste schildersheld voor de hele Nederlanden.

Maar het inzamelen van de fondsen vlotte niet. Toen bovendien het gipsen model dat als proef op de Groenplaats stond opgesteld, door een windstoot omver was geblazen en in stukken uiteen gevallen, stierf het project een stille dood. Op 29 juni 1827 beperkte de viering van de 250ste geboortedag van Rubens zich tot een bescheiden bloemenhulde rond een buste van de grote meester, in de tuin van de Academie.

Rubens, Antwerpenaar

Een nieuw initiatief ontstond in 1836. De Société des Sciences, Lettres et Arts,een kunstminnende vereniging van deftige burgers, wilde een monumentaal standbeeld ter ere van Rubens oprichten. Het bronzen beeld moest ingehuldigd worden in 1840, het jaar van de 200ste verjaardag van zijn dood. Als datum van de inhuldiging werd evenwel met opvallende vanzelfsprekendheid niet gekozen voor 30 mei – de sterfdatum van Rubens – maar voor 15 augustus, wanneer traditioneel de Antwerpse kermis van start gaat.

Antwerpen had behoefte aan zo’n opkikker. Sinds de zogenaamde glorieuze revolutie van 1830 maakte het deel uit van het nieuwe Belgische koninkrijk. Bezoekers hoorden de Antwerpenaren nu alleen nog maar klagen: hun stad was in zes jaar tijd van een florerende havenstad verworden tot een doodse stad. Maar er was ook wel vertrouwen in de toekomst: er werd gewerkt aan een spoorweg naar Keulen, waardoor Antwerpen zich kon positioneren als havenstad van het Rijnland.

De grootsheid van Rubens kon worden aangewend om het grootse verleden van Antwerpen in herinnering te brengen aan Brusselaars, Luikenaars, Gentenaars, buitenlanders, en niet in het minst aan de eigen bevolking. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de oprichting van het Rubensmonument een puur Antwerps initiatief was waarbij in eerste instantie uitsluitend Antwerpse giften werden aanvaard.

Portret_van_Willem_Geefs,_door_Fanny_Geefs-Corr_(1840-1842)
Guillaume Geefs

Ook werd ervoor gekozen alleen maar op Antwerpse kunstenaars een beroep te doen. Het kwam de Antwerpenaren goed uit dat Guillaume Geefs (1805-1883), de beroemdste Belgische beeldhouwer uit die tijd, de zoon was van een Antwerpse bakker. Hij werkte in die tijd ook aan de beeldengroep voor het monument op de Martelaarsplaats in Brussel. Later werd hij burgemeester van Schaarbeek. Hem werd dan ook gevraagd het Rubensbeeld te maken.

Dat Antwerps karakter vinden we ook terug in het ontwerp van het beeld zelf. Rubens, niet meer heel jong, wordt hier door Geefs als schilder én als diplomaat weergegeven. Hij staat fier met het linkerbeen vooruit, is rijk en zwierig gekleed en heeft als ridder een zwaard aan zijn riem en een ridderorde om zijn hals – hij was door zowel de Engelse als de Spaanse koning tot ridder verheven. Zijn hoed met veer en een palet met penselen liggen aan zijn voeten. Met zijn rechterhand gebaart hij alsof hij wil zeggen: “Kijk, dit is mijn stad. Hier komt mijn Kunst vandaan.

Ook de hoekbeeldjes op de sokkel, die beurtelings de beeldhouwkunst, de schilderkunst, de graveerkunst en de architectuur voorstelden, werden door Antwerpse kunstenaars gemaakt. Dat gold ook voor de halfreliëfs op de zijkanten en de achterkant, met personificaties van de schilderkunst, van de beeldhouwkunst en van de stad Antwerpen. De afkorting S.P.Q.A. op de voorzijde van de sokkel stond voor het Latijnse Senatus Populusque Antverpiensisen duidde op het bestuur en de inwoners van Antwerpen als oprichters van het monument.

Rubens.jpg
Het Rubensmonument, 1840, gravure van Erin Corr naar een tekening van Nicaise de Keyser (beeld) en Louis Serrure (voetstuk). (Bron: Ernest Buschmann, Pierre Paul Rubens, 1840)

Voor het gieten van het beeld in brons vond de Société eveneens een ‘Antwerpse’ oplossing. De in Antwerpen geboren Luikse hoogleraar Gérard Bueskens had in Munchen de nodige ervaring opgedaan.

Tot slot werd ook voor het opluisteren van de inhuldigingsfeesten een beroep gedaan op Antwerpse schilders (Wappers, Leys, De Braekeleer), architecten (Bourla, Serrure), componisten (Eyckens, Grisar, Bessems) en dichters (Buschmann, Bogaerts, Schollaert).

MEIRBRUG
Brug over de Meir ter gelegenheid van de Rubensfeesten, 1840. Ontworpen door Ferdinand de Braekeleer.
Henri Leys
Henri Leys

De kunstenaars ontwierpen monumenten en gedenktekens die tijdens de feesten ter ere van beroemde Antwerpenaren doorheen de stad werden geplaatst. Gustave Wappers en Henri Leys werkten ook aan de prachtige Rubenswagen, die naar oorspronkelijke tekeningen van Rubens zelf werd nagebouwd. De wagen maakte tijdens de Rubensfeesten deel uit van de optocht door de stad, was getooid met de vaandels van de zeven Belgische provincies, maar had wel als centraal element de Antwerpse maagd.

Rubens, Antwerpenaar én Belg

De leden van de Société des Sciences, Lettres et Arts behoorden tot de verfranste burgerij. Onder hen waren verschillende gemeenteraadsleden en de penningmeester van de vereniging was burgemeester Legrelle. Met andere woorden: op steun van het stadsbestuur kon gerekend worden.

Omdat de Antwerpse fondsen voor de oprichting van het beeld evenwel onvoldoende bleken, werd het handig Rubens niet alleen als Antwerpenaar, maar ook als Belg af te schilderen. Rubens werd nu ook gebruikt om het grootse verleden van België te benadrukken. Want ook de nieuwe natie had behoefte aan nationale helden, achter wie de Belgen zich konden scharen. De Société verkreeg en aanvaardde dan ook financiële steun van de Koning en de regering, en van de Antwerpse provinciegouverneur Charles Rogier, één van de helden van de Belgische omwenteling. Het karakter van de komende Rubensviering evolueerde daarmee van Rubens als Antwerpenaar naar Rubens als Belg én Antwerpenaar.

Voor de Antwerpse krant Le Précurseur was Rubens de ene dag een Belg – “Ce génie … dont les œuvres inimitables ont dit au monde entier que la Belgique est une nation noble et grande pour les arts” (24 april 1840) – en de andere dag ook Antwerpenaar: “Ce sera le monde entier qui se joindra à nous pour proclamer l’immortalité d’un Belge, d’un Anversois” (27 juni 1840).

cons001_p05
Hendrik Conscience

Ook voor de grote Vlaamse schrijver Hendrik Conscience, die in naam van de Antwerpse rederijkerskamer De Olijftak bij de inhuldiging van het standbeeld op 25 augustus 1840 een redevoering uitsprak, was Rubens een Belg: “Gebeure het nu nog, ô landgenoten, dat iemand met kleinachting van België dorst spreken, wys dan op dit reuzenbeeld, op Rubens, wiens kunstgewrochten de wereld verstommen, en uw antwoord zal hen doen blozen ...”

Alleen de goede verstaander kon in het officiële discours subtiele verwijzingennaar het Antwerpse karakter oppikken. Tijdens een galadiner voor alle hooggeplaatste Belgische en buitenlandse gasten bij de inhuldigingsfeesten in augustus 1840, bracht voorzitter Teichmann van de Antwerpse Société een toast uit op de gezondheid van de Nederlandse koning “qui a fait restituer à la Belgique les trésors que la conquête lui avait ravis”. Immers, Willem I had zich na Napoleons nederlaag in 1815 niet alleen ingezet om de door de Fransen geroofde schilderijen terug naar “la Belgique” te krijgen, maar in de ogen van de Antwerpenaren vooral om ze uit de grijpgrage klauwen van de Brusselaars te houden en ze aan Antwerpen terug te bezorgen.

De officiële communicatie, gericht op de buitenlanders, op de regering en de koning, hield vooral rekening met Belgische gevoeligheden. Dat was niet meer het geval wanneer die communicatie zich richtte tot de eigen Antwerpse bevolking. Het welkomstwoord in de “Algemeene feestwijzer” begint met:

Ten feesttocht op, ten hoogtijd op!
De vlag siert Antwerps torentop,
De kransen slingren door haer wijken,
Geen blijden feest, geen dag zoo schoon,
Geen kroon zo rijk als Antwerps kroon
Nu Rubens beeld voor ‘t eerst zal prijken

Juiste keuzes maken

Naast het zoeken van een juist evenwicht tussen Antwerpse en Belgische accenten waren er nog vele andere gevoeligheden waarmee in de aanloop naar de feesten al dan niet voldoende rekening werd gehouden.

Nicaise_de_Keyser,_by_Charles_Baugniet
Nicaise De Keyser

Het ledental van de Société was vanaf 1839 almaar toegenomen. Immers, de glorie die via Rubens op Antwerpen, België en het kunstenaarsschap uitstraalde, deed dat ook op de burgers die de oprichting van het monument mogelijk maakten. Deelnemen aan de organisatie werd als zeer eervol ervaren. Niet-deelnemen hield het risico van verlies aan status in. Zo kreeg de gevierde schilder Nicaise De Keyser veel kritiek te verduren omdat hij geen werk voor de grote tentoonstelling l’Album de Rubens ter beschikking had gesteld.

Samen met de vele nieuwe leden en de verschillende commissies groeiden de initiatieven voor de feesten. Zelfs zo, dat de hele onderneming financieel uit haar voegen barstte. Het was niet bon ton zich daar zorgen over te maken. Een enkel lid van de Société, het gemeenteraadslid Werbrouck-Pieters, stelde als enige openlijk vragen bij de financiële structuur van de organisatie, en maakte zich hopeloos onpopulair.

Intussen verliepen de voorbereidingen voor de inhuldigingsfeesten steeds moeizamer. Dat was voor de leden van de Société een onaangename evolutie.Het burgerdom was voor een aantal onder hen een fragiel bestaan, omdat ze geen aanzienlijk familiefortuin bezaten. Hun positie was in hoge mate afhankelijk van hun sociale status. Elke aantasting daarvan zagen ze als een wezenlijke bedreiging. Een mogelijke bedreiging vormden in hun ogen ook burgers die niet deelnamen aan de oprichtingsactiviteiten. Die speelden zelf ook een delicaat spel en hoopten blijkbaar dat het oprichtingsproces van het monument in het honderd zou lopen: hun leedvermaak maakten ze via de anonimiteit van spotdichten publiekelijk.

De oprichters waren dus als de dood voor elk oneervol verloop van de organisatie. En ja, de leden van de Société des Sciences, Lettres et Arts kregen het vaak hard te verduren. Elke keuze, elke beslissing, elke onenigheid die bekend raakte, werd druk becommentarieerd en vaak bespot – op straat, en in de kranten.

220px-Leopold_I_by_Franz_Winterhalter
Koning Leopold

Een van de meest controversiële kwesties ging over de ideale locatie voor het standbeeld. De Société koos op 22 januari 1840 unaniem voor de drukke Meir, de hoofdader van de stad. Maar op 10 februari meldde voorzitter Teichmann – zo blijkt uit de notulen van de vergaderingen van de Société – dat koning Leopold wenste dat de Société nog geen beslissing nam over de locatie. De koning verzocht om enkele proefplaatsingen. Daar kon de Société niet zomaar aan voorbij gaan – onder meer omdat de koning zich had ingeschreven voor een bijdrage van 10.000 frank. Naast de Meir werd ook op de Groenplaats bij wijze van proef een model opgesteld.

De proefplaatsing op de Groenplaats was niet bevredigend: het vereiste Vitruviaanse lijnenspel kwam er niet tot zijn recht – evenmin als op de Meir. In de kranten kreeg de Société nu het verwijt dat het beeld te groot was en dat zij bij haar megalomane plannen geen rekening had gehouden met de beschikbare ruimten in de stad.

Walburgisplein
Het Rubensstandbeeld op het Sint-Walburgisplein, 1840

Rond 15 april werd nog een proef uitgevoerd, nu op het Sint-Walburgisplein aan de oevers van de Schelde, aan de oude haven, vlakbij het huidige Burchtplein. Het gipsmodel stond voor het plein, op de kade, met het gezicht naar de Schelde gekeerd. Na een hevig debat sprak de gemeenteraad zich uit voor deze locatie. De grootste voorstander was burgemeester Gérard Legrelle. Vanaf een naderend schip werd een vreemdeling meteen geconfronteerd met Rubens, wiens groots­heid daardoor onlosmakelijk verbonden werd aan Antwerpen: “Anvers deviendra la ville de Rubens”. Bovendien kon het prachtige beeld de verloedering van het Sint-Walburgisplein stopzetten. Dat het beeld aan de haven regelmatig tussen opgestapelde kisten en tonnen zou staan, viel te verkiezen boven de mogelijkheid dat het beeld op de markt op de Meir “tussen bloemkolen en worteltjes” terechtkwam.

Tegenstanders vonden dat het Sint-Walburgisplein te afgelegen was en Rubens onwaardig – een locatie die beter geschikt was voor een beeld van “un marin ou un navigateur.

Er werd dan ook gefluisterd dat de keuze voor de haven door eigenbelang was ingegeven. Een aantal gemeenteraadsleden woonde langs de kaden, waar de huizen hun sociale status verloren (en hun grondwaarde) vergeleken met huizen aan de Meir en Huidevettersstraat. Een anonieme dichter meldde:

Als gy Rubbens wilt vertoonen,
gaat op ’t Groen kerkhof of de Meir,
Waar de deftigge liede woonen
en men ’t beeld kan zien van ver.

Op 27 april 1840 stemde ook de kunstcommissie van de Société voor het Sint-Walburgisplein als locatie, maar drukte daarbij wel haar spijt uit dat ze vanwege “cause majeure”(hoger belang) van haar eerste idee – de Meir – moest afwijken.

Walburgisplein 2
Presentatiekaart van het Hotel des Etrangers, 1840 – met links het Rubensstandbeeld en met een sterk geïdealiseerd beeld van het Sint-Walburgisplein
Standbeeld Peter de Grote
Peter de Grote: standbeeld en sokkel (Sint-Petersburg)

Ook het ontwerp voor het voetstuk was voorwerp van spot. Critici vonden het niet in overeenstemming met de voetstukken die bij nationale monumenten passen. Le Précurseur vond dat het volledig van brons moest zijn en taferelen uit het leven en werk van Rubens moest tonen. Er werd verwezen naar standbeelden van Trajanus, Marcus Antonius en Napoleon, naar de kolom op de Place Vendôme in Parijs en naar het ruiterstandbeeld van Peter de Grote in Sint-Petersburg waarvan de sokkel weliswaar uit een kale rots bestond – maar in dit geval stond dat symbool voor Deugd en Zuiverheid. Het voetstuk daarentegen dat door de Société voor Rubens werd voorzien was “een goedkope mengeling van materies, en degradeerde het standbeeld tot een monument van tweede categorie.

Taalkwesties

Enkel Franstalige bijdragen van Belgen werden aanvaard voor de literaire wedstrijden die door de Société des Sciences, Lettres et Arts waren uitgeschreven. De Vlaamse rederijkerskamer De Olijftak stelde daar dan maar een eigen Vlaamse proza- en poëzieprijskamp tegenover. Een Vlaams gedicht moest in 200 versregels Antwerpens“groote mannen” verheerlijken. Het onderwerp voor de Vlaamse prozawedstrijd was: “Lofrede aan P.P. Rubens. De Franstalige Société reageerde daar eerder nijdig op door de openbare zitting van De Olijftak ter uitreiking van deze prijzen in het officiële programma op te nemen … op dezelfde dag en ook nog op hetzelfde uur als de openbare zitting van de Société zelf, op 15 augustus om 14 uur.

266px-Charles_Rogier_(02)
Charles Rogier

Dit was niet het enige taalconflict. De nieuwe Belgische minister van binnenlandse zaken, ex-gouverneur Charles Rogier, ontdekte dat de opschriften op de triomfbogen en vooral ook op de pronkwagen van Rubens in het Vlaams waren gesteld. De schilders werd verzocht dit te wijzigen, wat zij weigerden te doen. Een “verfranscht” commissielid moest het op zijn eentje doen. Na protest van de kunstenaars lieten burgemeester Legrelle en gouverneur de Brouquère de Vlaamse opschriften herstellen (afb. 3).

De relatie werd er niet beter op toen bleek dat de leden van de Vlaamse rederijkerskamer De Olijftak geen uitnodiging hadden ontvangen voor de inhuldigingsplechtigheid. De voorzitter van De Olijftak richtte een protestbrief aan het gemeentebestuur: “J’ai été surpris de ce que ni la direction de la société flamande ni les membres en particulier n’ont point reçu de cartes d’admission dans l’enceinte réservée pour l’inauguration …” – waarna de ‘vergissing’ toch nog werd goedgemaakt.

De Franstalige poëziewedstrijd werd gewonnen door de Leuvense professor Rutgers en de prozawedstrijd door de bekende Luikse schilder Wiertz. De wedstrijden van de Vlaamse Olijftak werden gewonnen door Nederlanders: de 72-jarige blinde Juffrouw Moens uit Utrecht, en de 65-jarige Johannes Immerzeel uit Amsterdam. De winnaars ontvingen een medaille en werden op galadiners en galabals uitgenodigd.

Wiertz Moens Immerzeel
De winnaars van de literaire wedstrijden: Antoine Wiertz (franstalige poëzie), Petronella Moens (Nederlandse poëzie) en Johannes Immerzeel (Nederlands proza)

Omdat Nederland in 1839 eindelijk, na negen jaar, België had erkend, werden de Nederlandse gasten met veel egards behandeld. En zo gebeurde het dat een zoon van Johannes Immerzeel een gedicht mocht voordragen op een galadiner waar de hoogstaande, vooral Franstalige gasten uit binnen- en buitenland de volgende verzen te horen kregen:

Welaan dan broeders smeken wij
Als één van ‘s Hemelsgrootste gunsten:
Dat in de Lettren en de Kunsten
Oud Neerland steeds ondeelbaar zij !

‘Duzenden gruzelementen’

Een paar weken voor de feesten – de uitnodigingen en de affiches waren al verstuurd – werd het duidelijk dat het bronzen beeld niet tijdig klaar zou zijn. Het gieten in brons in de gieterijen van het Belgische leger te Ans bij Luik vlotte niet als verhoopt, omdat het gieten van kanonnen telkens weer voorrang kreeg op het gieten van onderdelen van het beeld. Er werd uiteindelijk in allerijl een gipsen afgietsel uit het Brusselse atelier van de beeldhouwer overgebracht. Het kwam op 11 augustus in twee kisten in Antwerpen aan – vier dagen voor de geplande inhuldigingsplechtigheid. Bij het lossen viel een van de kisten van de kar, en de onderste helft van het beeld lag in “duzenden gruzelementen.

De spotdichters grepen meteen naar hun pen:

Men hoorde ne krak en Rubens die brak,
en ‘t was gelijk nen donder, ja ja!
Daar lag het spel in gruis, faldera, falderidera!

De buitenlanders kregen de volgende boodschap:

Burgers van Parijs en Londen
‘t Beeld van Rubens is in gruis,
En de feesten zijn geschonden
En daar loopen razende honden.
Blijf gerust maar liever thuis.

Gelukkig kon Geefs het beeld herstellen. De dag van inhuldiging werd wel verplaatst naar 25 augustus, de laatste dag van de feesten. Het gipsen beeld kreeg nog een bronskleurig verflaagje en Le précurseur meldt dat het er op de dag van de inhuldiging fraai uitzag, al hielden de oprichters volgens de krant even hun adem in toen de sluier bij de onthulling aan het beeld bleef hangen en er hevig aan getrokken diende te worden.

De feesten

De feesten zelf waren ook geen onverdeeld succes. Dat kwam deels door het slechte weer: gedurende de eerste dagen van de feesten regende het hard en onophoudelijk. De meeste buitenactiviteiten werden daardoor afgelast.

Ook de organisatie zelf liet heel wat te wensen over, wat de vele buitenlandse waarnemers natuurlijk niet ontging. De Franse en Engelse kranten maakten zich vrolijk over het dilettantisme van de organisatie, en ook over de volkse aard van de feesten.

Het volkse karakter van de inhuldigingsfeesten paste bij Antwerpen. De stad had nooit een eigen hofadel gekend en kende geen traditie van plechtige, adellijke ceremoniën. Wel was er de Ommegang: een volkse parade met reuzenpoppen en een reuzenwalvis, die volgens een eeuwenoud Antwerps gebruik door de straten trok bij elke speciale gelegenheid – zoals de intreden van keizer Karel in 1520, van de landvoogden Albrecht en Isabella in 1599, van Napoleon in 1803, en van koning Willem I in 1822. De laatste jaren was daar nauwelijks een gelegenheid voor geweest. De omwenteling van 1830 en de bedreiging door de Nederlanders, die de nabijgelegen citadel tot in 1832 bezet hielden van waaruit ze bij spanningen de stad beschoten, en de cholera-epidemie van 1833 waren geen aanleiding tot feesten. De inhuldiging van de spoorlijn Mechelen-Antwerpen in 1836 was zeer elitair verlopen; de bevolking was er nauwelijks bij betrokken geweest. Met de kritiek daarover hielden zowel het stadsbestuur als de leden van de Société des Sciences, Lettres et Arts rekening. Ze wilden vooral vermijden dat de Rubensviering in aanwezigheid van zoveel buitenlandse gasten zou plaatshebben te midden van een apatische bevolking.

In het Antwerpsch Nieuwsblad luidt het op 16 augustus 1840: “De Rubensfeesten moeten immers de inwoners én vreemdeling vermaken – en zijn bedoeld voor iederen stand en voor elken ouderdom”.

De bevolking – arm en rijk – genoot inderdaad. In de eerste plaats van de Ommegang met zijn reuzenpoppen en de fraaie Rubenswagen. Maar de krant Le Précurseur keerde zich tegen de ‘kinderachtige’ traditie die erin bestond dat een kind, gezeten boven op een reusachtige walvis, met een brandslang het publiek natspoot. De krant noemde het ‘barbaars en wansmakelijk’ dat vanaf de praalwagen van het verversgilde in blauwe verf gedrenkte vodden naar de chic uitgedoste toeschouwers werden geworpen en meldde dat de politie verschillende klachten van buitenlanders had moeten noteren.

WALVIS.jpg
Kind met brandslang op walvis, Antwerpse Ommegang – The Illustrated London News, 1843

De modale Antwerpenaren zagen de Rubensfeesten dus vooral als hùn feest. Het mooist kwam dit tot uiting op 25 augustus, bij de inhuldiging van het beeld. Terwijl de honderden genodigden in een plechtige stoet door de straten paradeerden, op weg naar het feestelijk versierde Sint-Walburgisplein, had het volk al plaatsgenomen op de tribunes die eigenlijk voor de gasten waren gereserveerd. Slechts enkele van de hoge genodigden – de ministers, de gouverneur, de burgemeester – wisten zich nog te wurmen tussen de olijke burgers die van geen wijken wilden weten. Honderden gasten moesten de inhuldiging staande bijwonen, op de plaats waar het volk had moeten staan. Onder die ongelukkigen waren alle kunstenaars, die de gemiste kans om hun verhoogde status te etaleren ternauwernood wisten te verwerken.

Die honderden Belgische en buitenlandse kunstenaars voelden zich immers verbonden met hun grote voorbeeld Rubens en met de eer die hem te beurt viel. Dat ontging ook de spotdichter niet:

Veel artiesten onzer dagen
Denken dat z’een Rubens zijn,
Wen zy lange hairen dragen
En een baerdje nog zeer kleyn;

Rubens (die altijd zal wezen
Uwen Meester) wierd vermaerd,
En by groot en kleyn geprezen,
Om zyn kunst, niet om zyn baerd.

peter-paul-rubens-2
Rubens (zelfportret)

Rubens zelf bleef onaangetast. Hij was de held die voor elke groepering, voor elke bevolkingslaag aanvaardbaar was:

Rubens is ne grote man
waar de reus niet aan en kan
Al is dien ne grote vent
Rubens is een ander end

Van gips naar brons

Het duurde na de inhuldiging van het gipsen beeld uiteindelijk nog drie jaar vooraleer het echte, bronzen beeld zou opgericht worden. Geldgebrek en het risico van inbeslagname van het beeld door schuldeisers was de oorzaak van de vertraging. Het bronzen beeld werd na aankomst in Antwerpen op het Sint-Walburgisplein voorlopig in een houten barak geplaatst naast het verbrokkelende gipsen afgietsel. Dag en nacht moest de politie de wacht houden om de beelden te beschermen tegen vandalen.

Rubensmedaille
Bronzen medaille (72 mm) door Erin Corr, uitgegeven t.g.v. de Rubensfeesten, 1840

De bronzen Rubens werd in april 1842 uit de greep van schuldeisers gered toen de stad de schulden van de Sociéte des Sciences, Lettres et Arts overnam. Het duurde nog meer dan een jaar vooraleer het beeld werd opgericht. Het was inmiddels duidelijk geworden dat het afgelegen Sint-Walburgisplein geen geschikte locatie was en in april 1843 werd definitief gekozen voor de Groenplaats.

Op 9 augustus 1843 werdde bronzen Rubens op een kar naar de Groenplaats gereden, waar het werd opgewacht door een nieuw voetstuk, ontworpen door architect Serrure. Het is breder dan het vorige, maar 70 cm lager en zonder hoekbeeldjes en halfreliëfs, maar wel met hetzelfde opschrift dat nog altijd verwees naar 1840 als oprichtingsjaar. Toen de kar op de Groenplaats arriveerde, kantelde ze en het bronzen beeld kwam op de grond terecht, gelukkig zonder veel schade. De volgende dag, om 4 uur in de ochtend, werd het beeld definitief op zijn voetstuk geplaatst. Zo ontweek men de spot van ongewenste omstanders.

Er was geen officiële inhuldigingsceremonie voorzien. De bewoners van de Groenplaats regelden voor die avond dan maar zelf een bescheiden inhuldigingsfeest door hun huizen te verlichten en een harmonie enige deuntjes te laten spelen. Het stadsbestuur kon niet achterblijven en leverde een aantal ornamenten voor het geïmproviseerde feest, wat volgens Le Précurseur met een glimlach”werd aanvaard.

Eindelijk had Antwerpen zijn monumentaal, bronzen standbeeld. En aan de derde valpartij van een Rubensbeeld in 16 jaar tijd hield Antwerpen een nieuwe uitdrukking over: “Vallen als een Rubens.

De reputatie van Antwerpen als stad van Rubens was evenwel sedert de feesten van 1840 definitief gevestigd in binnen- en buitenland.

Dat bleek al bij het bezoek van de Engelse koningin Victoria en prins Albert op 20 september 1843, enkele weken na de definitieve oprichting van het beeld op de Groenplaats. Weer werden de reuzenpoppenen de Rubenswagen door de feestelijk versierde straten geparadeerd. Op de Groenplaats woonde de koningin vanaf een tribune tegenover het beeld van Rubens een muzikale uitvoering bij.

In alle stilte hief de Société des Sciences, Lettres et Arts zichzelf in 1844 op.

victoria & rubens
Queen Victoria woont op de Groenplaats een huldiging bij ter ere van Rubens (1943) – The Illustrated London News, 1843

Geraadpleegde bronnen

  • Stadsarchief Antwerpen, PK3164, Bundel Société des Sciences, Lettres et Arts, 1840-1843.
  • Antwerpsch Nieuwsblad, Antwerpen, 1840
  • The Art Union, Londen, 1840, pp. 147-148
  • Berggren, L., ‘The “Monumentomania” of the Nineteenth Century: Causes, Effects and Problems of Study’, in: Reinink, W. en J. Stumpel (red.), Memory & Oblivion. Proceedings of the XXIXth International Congress of the History of Art held in Amsterdam, 1-7 September 1996, Dordrecht 1999, pp. 561-6.
  • De Bruyn, M.D., Algemeene historische feestwyzer voor het tweede eeuwfeest ter eere van P.P. Rubens, Antwerpen, 1840
  • Chatenay, E., Anvers: Guide du voyageur, Brussel, 1840
  • The Illustrated London News, Londen, 20-09-1843, pp. 212-220
  • Journal du Commerce d’Anvers, Antwerpen, 1840
  • Legrelle, G., Anvers, Fête bi-séculaire en l’honneur de P.P. Rubens, du 15 au 25 août 1840. Programme officiel, Antwerpen, 1840
  • Mertens, F. en K.L. Torfs, Geschiedenis van Antwerpen, deel 7, Antwerpen, 1976 (herdruk van de oorspronkelijke uitgave van 1845-6)
  • De Noordstar, deel 2, Antwerpen, 1840
  • Le Précurseur, Antwerpen, 1840
  • Prims, F., Antwerpiensia, Antwerpen, 1927

Geschreven door Jean-Pierre Van der Planken

Opmerking

Een eerdere versie van dit artikel verscheen in het tijdschrift Locus (Locus 18/2006, p. 5-10)


Hieronder kan u reageren in verband met deze tekst: